De keuringsdienst van levensmiddelen

‘Neen, maar is dat nu te veel, om te zorgen, dat de menschen behoorlijk voedsel krijgen? Vooral voor die lui, die meer zijn aangewezen op de goedkopere winkels, is het een groot voorrecht te weten, dat zij goede waar kunnen koopen. Men zegt wel in die winkeltjes: wij kunnen jullie het goedkoop verkoopen, want wij maken maar kleine winstjes, maar dat is allemaal maar larie! Als wij den boel eens goed zouden nakijken, zou er heel wat anders voor den dag komen.’

Raadsvergadering

De ferme taal, in het citaat, werd uitgesproken door Cornelis Jacob Anton Wijnaendts wethouder van Hilversum tijdens de raadsvergadering van dinsdagavond 18 maart 1913 bij de behandeling van een voorstel tot het oprichten van een gemeentelijke keuringsdienst van levensmiddelen.

Eerste keuringsdienst 1893

Voordat in 1919 de Warenwet en een aantal Warenwetbesluiten in werking traden, was er weinig toezicht op de veiligheid van producten. Toezicht op de kwaliteit van water en melk bestond al langer in Nederland. Maar pas in 1893 kwam de eerste Keuringsdienst van Waren in Rotterdam. Daarna volgden Groningen, Haarlem, Leiden, Den Haag, Amsterdam en Dordrecht. De provinciale en gemeentelijke keuringsdiensten gingen per 1 januari 1988 op in een rijkskeuringsdienst van waren, en anno 2013 is vrijwel alle controle van levensmiddelen onderbracht bij de Voedsel en Waren Autoriteit.

Eigen keuringsdienst 1912

De voorbereidingen voor het oprichten van een keuringsdienst in Hilversum begonnen al in 1910 en hoewel men eerst vanwege de kosten te moeten aansluiten bij Rotterdam, kwam het op 26 maart 1912 toch tot een eigen gemeentelijke keuringsdienst van levensmiddelen. Gemeentelijk laboratorium van de dienst aan de Schoolstraat, naar een ontwerp van gemeentearchitect P. Andriessen, werd eind 1913 gebouwd.

Klik voor vergroting
Gebouw aan de Schoolstraat dat eind 1913 gebouwd werd voor de keuringsdienst
 

Aanstelling m/v?

De benoeming van een directeur zorgde nog voor enige reuring tijdens de raadsvergadering van 24 juni 1913. Er was één door het college aanbevolen kandidaat, dr. J.J. Polak, maar vanuit de raad kwam  een tweede kandidaat: juffrouw J.W. Collard, als chemisch ingenieur werkzaam bij de keuringsdienst te Arnhem. Al snel nam de vergadering een andere wending en was niet de kwaliteit van de sollicitanten maar hun sekse het onderwerp. Een raadslid stelde meteen maar het vrouwenkiesrecht aan de orde: “De bedeelden van de kerk, mogen kiezen; Vrouwen met een doctorsgraad, Mogen kijken hoe dat gaat!” De stemming met gesloten briefjes, leverde geen verrassing op: Dr. Polak kreeg dertien stemmen en juffrouw Collard drie stemmen.

Direct succes

Uit een verslag van een rondleiding in het laboratorium uit De Gooi- en Eemlander van 26 september 1914, twee maanden na de ingebruikneming, bleek hoe voortvarend Polak en zijn medewerkers te werk waren gegaan. Naast de controle op melk had de keuringsdienst de volgende ondeugdelijke goederen aan de consumptie weten te onttrekken: ‘400 pond rozijnen, 45 pond gedroogde appelen, 30 pond gedroogde pruimen, 15 kistjes Smyrnavijgen, 27 liter azijn, 5 pond grutten, 3 ons griesmeel, 3 pakken Deventer koek (deze laatste op de markt), 15 stuks blikken en flesschen conserven, 350 stuks gerookte makreel en bokking en 75 pond stokvisch’.

Einde keuringsdienst

De oprichting van het abattoir leidde uiteindelijk tot de opheffing van de afzonderlijke keuringsdienst.  Het abattoir kon  niet zonder een eigen keuringsdienst en zodoende werd in 1918 besloten de dienst om te dopen tot de Gemeentelijken Keuringsdienst van vee, vleesch, visch en gevogelte. Na de opening van het nieuwe abattoir aan het Slachthuisplein 8, in oktober 1924, vestigde ook de keuringsdienst zich daar.

Het laboratorium aan de Schoolstraat werd betrokken door de Geneeskundige- en Gezondheidsdienst die daar tot 1965 haar domicilie had.

Klik voor vergroting
Gebouw van de keuringsdienst aan de Schoolstraat, 1922

Laatst gewijzigd: 13/11/13