Brand in Hilversum

 

De geschiedenis van Hilversum kent vele branden. Van kleine branden met een bescheiden, vaak slechts persoonlijke impact tot grootse branden met grote gevolgen. Natuurlijk denken we hierbij meteen aan de brand die in 1766 een groot deel van Hilversum verwoest heeft. Maar er zijn meer bijzondere branden geweest die indruk hebben gemaakt op de bevolking. In dit artikel zal een aantal van deze historische branden aan bod komen.

Brand van 1766

De brand van 1766 is de grootste brand uit de geschiedenis van Hilversum. Meer dan 200 huizen werden verwoest op de fatale dag van 25 juni 1766. Twee mensen kwamen om. De brand begon in het huis van een joodse slager vleeshouwer (slager) op de Groest, waar hij vet aan het smelten was.

 brand 1725
 

Prent over de brand in 1725.

(Streekarchief Gooi en Vechtstreek, collectie Kuijper, inventarisnummer 21)

Deze plaats is opmerkelijk omdat hier zo´n veertig jaar eerder in 1725 ook brand was ontstaan die destijds een deel van het dorp al verwoest had. In de Maandelykse Nederlandsche Mercurius wordt hierop gewezen: 'zonderling is ´t dat de brand in ´t zelfde huis ontstaan is, daar over veertig Jaaren dezelve mede zijn aanvang heeft genomen en toenmaals een gedeelte van het Dorp in de assche leide'. In hetzelfde artikel wordt ook verteld over het grillige karakter van het vuur. Sommige huizen met rieten daken werden gespaard, terwijl andere gebouwen van steen en verder afgelegen wel prooi van de vlammen werden. Zelfs het huis van de joodse slager brandde maar gedeeltelijk af: 'maar nog zonderlinger is ´t dat de woedende Vlammen zich gehegd hebben aan gebouwen op een zeekeren afstand daar van gelegen en van steenen gebouwd zijnde, terwijl wooningen tusschen beide staande en niet dan met Riet gedekt, zijn bevrijd gebleven, het huis van den Joden vleeschhouwer is aan desselfs voorste gedeelte niet beschadigd, terwijl ´t achter gedeelte, daar de brand zyn oorsprong heeft genomen, door ´t vuur verteerd is geworden'.

Velen brachten hun spullen onder in de kerk op de Kerkbrink omdat men dacht dat ze daar veilig zouden zijn. Hierin kwamen ze echter bedrogen uit. De kerk werd door het vuur geheel verwoest. Ook de pastorie, het rechthuis, het schoolhuis en verschillende fabrieken vielen ten prooi aan de brand. Voor het Hilversumse dorpsarchief had de brand dramatische gevolgen, bijna alles verdween in de vlammen! Vandaar dat er in de archieven van de gemeente Hilversum maar weinig stukken van voor deze datum te vinden zijn. De materiële schade was enorm. In het dorp werden allerlei hulpacties op touw gezet en ook buiten Hilversum werd hulp geboden. In Noord-Holland en Utrecht werden collectes gehouden.

 

De Filmbrand van 1934

De filmbrand uit 1934 was veel kleiner van omvang dan de brand uit 1766 maar had wel een enorme impact. Vooral door de emotionele schade die werd aangericht. Drie kinderen kwamen om in de brand in het verenigingsgebouw St. Joseph aan de Bosdrift 100 van de Clemensparochie op 24 september 1934. Tijdens een filmvoorstelling voor 146 meisjes van 6 tot 14 jaar oud, vloog, toen de film bijna afgelopen was, een projector in brand, met dramatische gevolgen. Het vuur greep snel om zich heen en versperde de hoofdingang. Veel kinderen probeerden daarom via de achteruitgang het pand te verlaten. Deze uitgang bleek echter op slot te zijn! De verantwoordelijke pater Simon Buis had onvoldoende maatregelen getroffen om de ontruiming goed te laten verlopen. Ook waren er niet genoeg preventieve maatregelen genomen om de brand te voorkomen. Naar aanleiding van deze brand werd dan ook de controle op de brandvoorschriften in heel Nederland aangescherpt.

filmbrand

Brandweerlieden proberen het verenigingsgebouw St. Joseph te blussen.

(Streekarchief Gooi en Vechtstreek, archief Gemeentebestuur Hilversum, dienst Publieke Werken, inventarisnummer 156)

Zoals vaak bij rampzalige gebeurtenissen, kende de filmbrand ook zijn helden die met gevaar voor eigen leven vele kindleren gered hebben. Tot hen hoorden dezelfde Pater Buis, Dirk Elbertsen (werkman) en Abraham Huigen (politieagent). Van de brand is op 13 oktober 1934 een uitgebreid politierapport opgemaakt. Hierin zijn ook ooggetuigenverslagen opgenomen.

Abraham Huigen verklaarde over de daden van Elbertsen en Buis het volgende: 'Een lange vlam, “een zgn. steekvlam”, sloeg tegen de voorzijde van het lichaam van Elbertse (bast en gelaat). Ondanks dit feit liep Elbertse, voornoemd, “gewoon door”, teneinde zich naar het andere einde van zaal H te begeven, waarheen de kinderen, uit angst voor de vlammen, waren gevlucht. Pater Buys, voornoemd, was echter deerlijk gewond. Zijn beide handen en gedeeltelijk zijn armen, zoomede zijn gelaat was overdekt met brandwonden. Ondanks zijn toestand moet Pater Buijs, zooals ik later vernam, wederom het brandende gebouw naar binnen zijn gegaan'. Voor deze heren en voor enkele andere heldhaftige lieden werd een Koninklijke Onderscheiding aangevraagd. Deze werd echter niet verleend vanwege het dubbele karakter van de rol die Pater Buis in het geheel gespeeld heeft. De Commissaris van de Koningin schrijft in een brief d.d. 15 april 1935: 'De brand heeft zooveel stof tot kritiek gegeven en zóó noodlottige gevolgen gehad dat de Minister, in overeenstemming met het door mij uitgebrachte advies, bezwaar heeft op zoo in het oog loopende wijze als door u wordt gevraagd de herinnering daaraan levendig te houden, zoowel bij het publiek als bij degenen, die nog ernstiger ongeluk hebben verhoed en hierin reeds voldoening voor hun menschlievend optreden mogen vinden'. Hoewel pater Buis zich erg ingespannen heeft om zoveel mogelijk meisjes te redden van de vlammen, werd hij ook verantwoordelijk gehouden voor de ramp. Hij werd aangeklaagd vanwege het veroorzaken van dood door schuld maar werd later vrijgesproken.

Brand van 1971 in de Grote Kerk

De laatste grote brand, die velen zelf hebben meegemaakt, was die in de Grote Kerk aan de Kerkbrink op 3 december 1971. Wat overbleef was een ruïne. Hoewel de brand slechts één gebouw heeft verwoest maakte het grote indruk op de bevolking. Het was immers niet zomaar een gebouw. De toren van de Kerk stamt al uit 1481 en de kerk zelf was in 1891 in neorenaissancestijl verbouwd.

Brand 1971

Brand in de Grote Kerk van 1971

(Streekarchief Gooi en Vechtstreek, fotocollectie Stedebouwkundige Dienst gemeente Hilversum, nummer 2020)

De burgemeester verwees na de brand in de vergadering van de gemeenteraad naar de grote brand in 1766 tijdens de vergadering van 9 december 1971: 'Het aanschouwen van een dergelijke brand is een onthutsende gewaarwording. Men noemt zulke branden vaak historische branden, die wij van tal van plaatsen kennen en helaas ook uit onze eigen historie. Deze kerk is namelijk op dezelfde plaats al eerder door brand verwoest en met de kerk een groot deel van de toenmalige gemeente Hilversum'. Terecht merkte hij op dat men in 1971 gelukkig meer middelen had om de brand te bestrijden dan in 1766 waardoor een grotere ramp voorkomen werd: 'Dat er ditmaal niet zo´n ramp uit is voortgekomen als in het verleden het geval is geweest, danken wij in de eerste plaats aan het feit, dat er gedurende het eerste uur van de brand vrijwel geen wind was – wanneer het wel gewaaid zou hebben, zou uitbreiding van de brand vrijwel niet te vermijden zijn geweest – en in de tweede plaats aan het voortreffelijk optreden van de brandweer, waarbij gebruik kon worden gemaakt van goed materiaal, dat vroeger uiteraard ook niet voorhanden was'. De Kerk is later in dezelfde stijl gerestaureerd.

 

´Historische´ branden?

In dit artikel hebben we slechts een aantal 'historische' branden besproken. Er zijn er natuurlijk meer geweest, zoals de brand van 1725 of de brand in de Hilversumsche Stoomspinnerij en Weverij aan de Gooische Vaart op 4 april 1884. Maar wat maakt een brand nu historisch? Is het de omvang van de brand zoals die in 1766? Of is het de waarde van het door brand verwoeste gebouw zoals die in de Grote Kerk in 1971? Of is het de emotionele impact zoals die naar voren kwam bij de Filmbrand? Gemene deler van genoemde branden is dat ze grote indruk maakten en daardoor in de herinnering bewaard bleven en in veel publicaties beschreven zijn. Dat is het historische belang.

 

Bronnen

  • Streekarchief Gooi en Vechtstreek, collectie Kuijper, inventarisnummer 8A, artikel Maandelykse Nederlandsche Mercurius (1766), p. 44

  • Streekarchief Gooi en Vechtstreek, archief gemeentebestuur Hilversum 1851-1939, inventarisnummer 4441

  • Streekarchief Gooi en Vechtstreek, archief gemeentebestuur Hilversum 1940-1989, inventarisnummer C 2534

terug naar boven

Laatst gewijzigd: 26/06/13